On-kruid: Egelantier (wilde roos)

In deze rubriek vertelt Jules Faber wekelijks over planten die in Nederland te vinden zijn. Hij gaat hierbij in op de kruidengeneeskunde en hun benaming, maar geeft ook recepten prijs.

De eerste kennismaking met de egelantier zal ik niet gauw vergeten. Het is namelijk nogal een stekelige struik met haakvormige stekels, die mij stevig prikte toen ik aan de rozen wilde ruiken. Vanaf die tijd weet ik waar de uitdrukking 'Het is niet altijd rozengeur en maneschijn' vandaan komt. De naam 'egelantier' heeft een poëtische klank, maar waarschijnlijk komt de naam voort uit het Franse 'aiglent' wat 'doornenstruik' betekent.

De struik is te herkennen aan zijn rozerode bloemen die middenin wit zijn. Daar groeien in het najaar langwerpige oranjerode bottels aan. Wrijf het blad maar eens tussen je vingers, dan ruik je de geur van zure appels die ook vrij komt na een regenbui.

De egelantier groeit al eeuwenlang in onze streken in parken, langst de rivieren en de kust. Zijn roots liggen West-, Midden- en Noord-Europa.

Mijn tante gebruikte de rozenblaadjes om een rozencake van te maken. Als ze blaadjes over had dan deed ze dat in het badwater, voor een verkwikkende huid. Je kunt de rozenblaadjes ook gebruiken om er rozenjam van te maken. Van de pitjes ontdane en gedroogde rozenbottels kun je heerlijke thee zetten. Omdat de rozenbottels veel vitamine C, A en B bevatten, hebben ze een ontstekingsremmende werking. Daarom maakte de Oude Egyptenaren al gebruik van een kompres van rozenbottelthee, om huidontstekingen te genezen.

Meer berichten

Het lokale nieuws in uw mailbox ontvangen?

Aanmelden