Column: Hijo de puta

Door Jules Leerintveld

Het is 2009 en ik beland in Santiago de Cuba, de meest bruisende stad van het prachtige Cuba. In Parque Céspedes, het Central Park van Santiago, is het slome Cubaanse leven van alledag gaande. Straatvegers lopen achter hun karretje aan, oude mannen willen de partijkrant Granma verkopen. De propaganda voor het socialisme staat in koeienletters op muren gekalkt: 'hasta la victoria síempre', tot de eeuwige overwinning. Ouderen zitten op schaduwrijke bankjes, hangjongeren komen pas in beweging als ze een toerist op hun netvlies ontwaren. Ze willen wat verkopen of gewoon wat meelopen. En allemaal noemen ze jou een amigo, een vriend. Op een gegeven moment heb ik het idee dat ik meer amigo's heb dan Fidel Castro.

Bij toeval loop ik Luis tegen het lijf, een tengere man van een jaar of zeventig. Via enkele smalle straatjes troont hij me mee naar een paladar, een privé-restaurantje met de naam La Caribeña, dat ik zonder zijn hulp nooit gevonden had. Een steile trap leidt ons naar de eerste verdieping. Door de keuken komen we in een ruimte terecht waar la abuela, oma, ontspannen in een schommelstoel zit. Via deze woonkamer belanden we op een heus dakterras, waar vier tafels staan. Het uitzicht over het verlichte Santiago en de baai is overweldigend. Wat een luxe om hier te kunnen zitten. Deze paladar doet zijn naam eer aan, want letterlijk vertaald betekent paladar het 'gehemelte'.

Luis heeft vele jaren in de Verenigde Staten gewoond en spreekt vloeiend Engels. Hij praat niet alleen honderduit maar is ook erg informatief. Na wat algemeenheden komt het gesprek toch op 'El Sistema'. Luis laat me zijn libreta, oftewel zijn distributiekaart, zien. Hierin staat wat iedere Cubaan elke maand krijgt aan rantsoenen. Per persoon is aangegeven hoeveel rijst, vlees, kip, rietsuiker, zout, brood en zeep en dergelijken iemand van de overheid krijgt. Een pakje lichte en zware sigaretten blijkt ook tot de primaire levensbehoeften te behoren. Voorwaar een geluid waarmee de westerse tabaksfabrikanten in hun nopjes zouden zijn.

Luis vertelt verder over het leven in Cuba, over de politie en de geheime politie. Hij laat ons de littekens op zijn rug zien die het gevolg zijn van 'verhoor' door de politie. Dat hij geen grote fan van Fidel is moge duidelijk zijn. 'La vida no es fácil en Cuba', het leven is niet gemakkelijk in Cuba. Een groeiend aantal Cubanen verafschuwt de tirannie van Fidel en heeft genoeg van de eindeloze ontberingen. Deze gevoelens zijn verwoord in een mop. Een man is het zo zat elke dag uren in de rij te staan voor brood, dat hij zegt Fidel te gaan vermoorden. Na een paar dagen keert hij terug in de rij voor het brood en men vraagt hem of het is gelukt. "Nee", antwoordt de man, "die rijen waren nóg langer." 'Hijo de puta', klootzak, voegt Luis er nog aan toe. Een woord dat ik tot dan alleen kende omdat Cruijff dat ooit zei tegen een Spaanse scheidsrechter.

Meer berichten