Column: Cubaans Mekka

Door Jules Leerintveld

We rijden van ‘La Habana’ naar de Valle de Viñales. Op de ‘snelweg’ zien we meer fietsers en brommers dan auto’s. Een spandoek met daarop ‘siémpre unidos defendido socialismo’ (’altijd verenigd om het socialisme te verdedigen’) hangt over de weg. We zijn terug in het socialistische paradijs, Cuba. De volgende dag lopen we door het grillige karstgebergte. Te midden van het vlakke akkerland rijzen bizarre rotspartijen loodrecht op uit het landschap. Het lijkt of ze als immense dominostenen zijn neergekwakt. Vroeg in de ochtend zet de zon de hele vallei in een betoverend licht. Vanaf een heuvel ziet de vallei eruit als een ansichtkaart. Rondom de her en der verspreid staande huisjes scharrelen kippen, kalkoenen en varkens vrijelijk rond. Roodbruine aarde en een lappendeken van tabaksplantages geven de vallei een nog liefelijker aanzicht. Deze idylle wordt ruw verstoord door het zéér armoedige leven van de mensen hier. Boeren ploegen hun land nog met behulp van ossen.

Op de veranda van een eenvoudig huisje zitten enkele mannen gebroederlijk bijeen in de koele schaduw onder een afdak. Eentje zwaait er naar ons ten teken dat we moeten komen. De jongste, Raoul, is de vrolijkste van het stel en een echte guajiro, een Cubaanse boer met strooien hoed en een machete aan de heupgordel. Hij vraagt honderduit over het verre Holanda. Naast de algemene dingen vertel ik hem dat Holanda een speciaal Bijbels land is. In de winter kun je net als Jezus over het water lopen, als het tenminste genoeg heeft gevroren. Hij kijkt hij alsof hij zojuist een klapsigaar heeft aangestoken. Dan vertel ik hem ook dat onze Waddenzee een zee is waar je, net als Mozes vroeger, gewoon doorheen kunt lopen. Hij kijkt tegelijk geamuseerd en zo verbaasd dat het lijkt alsof hij zojuist een ijsbeer heeft gezien in deze snikhete vallei.

Raoul haalt wat tabaksbladeren tevoorschijn uit een buidel, spreidt een blad met fijne nerven op zijn bovenbeen en doet er wat tabak in. Net zo gemakkelijk als wij een sjekkie rollen, rolt hij een sigaar. Het uiteinde draait hij behendig in elkaar. Met zijn machete snijdt hij een mondstuk met inkeping. Op wat brandende houtjes pruttelt een potje met pure koffiebonen in. Een uiterst broos uitziend omaatje roert met haar gevlekte handen in de koffiepot. Wij krijgen elk een dikke sigaar en een kopje pikzwarte koffie, café Cubana, sterk maar o zo puur en lekker. Hier genieten ze van de eenvoud van het leven.

Het communistische Cuba produceert dankzij zijn uitstekende grond en klimaat het ultieme symbool van kapitalisme: sigaren. De Montecristo, de Romeo y Julieta en het beste merk ter wereld, de Cohiba; ze worden hier gemaakt. Mijn vader was een verstokt sigarenroker. Of hij nou thuis voor de tv zat, aan een pilsje of achter het stuur van zijn rode kevertje, altijd en overal bungelde er een sigaar in zijn mondhoek. Voor mijn vader zou Mekka hier gelegen hebben en niet in het Midden-Oosten.

Meer berichten

Het lokale nieuws in uw mailbox ontvangen?

Aanmelden